Het einde van mijn racefiets

Ik ben geen racefietser. Toch kocht ik ooit een tweedehands-racefiets. Na aankoop stond de fiets maar liefst zeven jaar werkloos in de schuur. Op een ochtend ruimde ik de schuur op. Ik staarde naar de fiets. Er hingen spinnenwebben aan.

'Waarom kocht je ooit die fiets?' zei ik tegen mezelf.

'Dom enthousiasme, overmoed, goede voornemens,' mompelde ik.

Ik zette de fiets op marktplaats voor 500 euro, veel te veel.

Na een kwartier had ik al een reactie. Iemand vroeg me wat de frame-maat was van de fiets. De frame-maat? Ik mailde terug hoe ik die kon zien, mezelf hiermee natuurlijk direct kwalificerend als een totale nul op racefiets-gebied. Toch hapte de man toe.

De volgende middag ging de bel. Een jongeman meldde met zachte stem dat hij voor de racefiets kwam.

Even later reed hij een rondje door de straat. Ik keek met ingehouden adem toe. Alles aan de fiets was verdroogd en oud, nu in het daglicht zag ik pas goed wat voor armzalig karretje het was geworden.

Vlak naast me kwam de aspirant-koper even later met piepende remmen tot stilstand. Hij stapte af en hield de fiets aan de hand.

'Hm, mja, mja,' reutelde hij, kijkend naar de fiets. 'Eerlijk gezegd,' meldde hij nogal beteuterd, 'valt het me allemaal een beetje tegen.'

Maar jongen, het hele leven valt tegen, altijd! wilde ik zeggen, maar in plaats daarvan begon ik een tegenaanval, zo van: joh, voor 500 euro kan je niet alles verwachten, 'prima koop', dat soort gezwam. Nou ja, ik bedoel, er was niet echt iets mis met die fiets.

'Wat wil je er eigenlijk mee gaan doen?' vroeg ik langs mijn neus weg.

'Een lange tocht door de Franse Alpen,' antwoordde de jongen bloedserieus.

'Dan zou ik de remmen even laten nakijken,' opperde ik wereldwijs. Het was even stil.

'350 euro wil ik betalen,' zei de jongen ineens.

Ik stak direct mijn hand uit.

Toen ik even later mijn huis weer binnen liep, was ik gek genoeg toch niet helemaal tevreden. Ergens had ik het rare gevoel, dat ik iets oneerlijks had gedaan. Iets had verkocht dat geen 350 euro waard was. Alsof ik zaken had gedaan met het domste jongetje van de klas, een jochie dat niet helemaal goed was.

Maar dit was toch gewoon hoe handel werkte? De wereld was nu eenmaal hard.

Keihard.

Misschien was ík wel niet goed.

Ik heb nooit meer iets van die jongen gehoord. Maar heel soms denk ik weleens aan hem. Ik hoop heel erg, dat hij tevreden heeft rondgefietst op mijn miskoop, daar, door de hoge bergen van Frankrijk.

Gewoon, voor mijn eigen gemoedsrust.